Ik dans In het midden, op het ritme van de Wereld, Ik dans de Levensdans. Zij is altijd gaande, zij is een eeuwige dans, Cirkelend om haar as, Cirkelend in haar cirkel, In haar Ruimte van Liefde.
Ik hoor haar ruisen, door mij heen. Zij is er altijd, Zij is de muziek van het Leven, voortgebracht uit het Licht.
Wevende Energie, Wevend in het Licht, In het Gouden Licht van de Zon, in het Zilveren Licht van de Maan. Het Licht van de Sterren, de Planeten en de Goden. Het Licht van het weven, het stromen, het dansen.
Ik voel de stroom, De stroom van het Licht, Van de schitteringen, de sferen, dimensies, In mij, om mij heen, door mij heen. Zij streelt mijn Licht, mijn Trilling En ik tril mee met de frequenties van de Goden.
Ik dans door de sferen, door de Lagen, de Tijden, de Ruimtes. Ik reis door Eonen van Licht, door eeuwige creaties, Nog te scheppen, eeuwig aanwezig. Ze stromen door mij heen, ik ben één van hen, ik ben één met hen.
De stroom van de Wateren, de Lucht, het Vuur, de Aarde en het Licht. De stroom van het Leven, Zij voert ons door de eeuwigheid, Zij voert ons naar het Alles en het Niets, naar het On-einde, We reizen door het Licht.
In de Zuiverheid van het weven, ontstaat Licht en Ruimte, Een onbeperktheid en oneindigheid, Het enige waarmee ze gevuld is, is de Liefde Want de Liefde is eeuwig. Zij is de Bron van de dans, de trilling die het licht voortbrengt, De trilling die het weven mogelijk maakt.
Een dans die het Licht weeft, om de as, Om zo alles te blijven scheppen, Om zo in een eeuwige beweging, een eeuwige stroom te blijven, Voortdurend voortgaan, creëren, Zijn.
De as ben Ik, de As is het Nu en is Hier, voor altijd. En in die As ligt alles besloten waaruit het Universum bestaat. De goddelijke kern, de Eeuwige Liefde En ál het materiaal om zelf God te zijn, Om zelf de Dans te weven.