Door ontelbare doorschijnende groene blaadjes schitteren gouden lichtstralen van de zon. De zon beschijnt alle kleuren die we kennen en die er gemaakt kunnen worden in allerlei schakeringen, als reflecties door de bladeren heen. Voortdurend veranderen de kleuren, het licht, de bladeren door het ruisen van de wind langs de takken van de bomen. De wind die het Eeuwige lied fluistert aan de bomen. De bomen die al jaren lang haar liederen aanhoren. De bomen die deze liederen doorgeven als verhalen en avonturen aan alle planten en kruiden; aan de dieren die in het bos wonen en zelfs aan de kristallen en stenen diep in de aarde verborgen. En heel misschien vangt een Mens deze oude Wijsheid op, die al die eeuwen lang wordt doorgegeven.
De bomen wachten al jaren op de Mens, om de Eeuwige Wijsheid en de Verhalen door te mogen geven. Maar zelden worden ze opgevangen in een Mensenhart. Dit hart dient immers zodanig gevoelig te zijn, dat het deze Wijsheid op kán vangen; het hart dient zuiver te zijn en puur, want alleen dan komt het Pure lied binnen, om het hart te verwarmen en te vervullen met Leven en Geheimen van het Leven.
Na een lange eenzame stilte die heerste in het bos, komt er opeens een Mensenkind. Dansend, bijna zwevend, benadert zij het bos, vol vreugde, tederheid en gevoeligheid. Ze danst mee met de wind, die haar meeneemt naar een fijne plek waar veel mooie grote oude bomen staan. Ze voelt, ziet, luistert en straalt, en zachtjes, met al haar aandacht, raakt ze een mooie boom aan. Op de plek waar de aandacht was geweest van dit Mensenkind, komt langzaam leven. Het lijkt op te lichten en dit uit te stralen naar de rest van de boom. En langzaam, heel geleidelijk begint de boom te ontwaken uit een diepe oude dromenslaap. De Aanwezigheid slaat aan als een betovering, en ook de ander bomen lijken deze op te merken en ontwaken rustig op hun eigen gemak.
Het meisje merkt een zekere verandering in lichtval in het bos en genietend gaat ze zitten op één van de dikke wortels van de oude boom. Samen met de boom kijkt ze, vanuit de heuvel waarop ze zich bevindt, uit op de rest van het bos, naar de andere bomen en planten. Een zekere levendigheid lijkt het bos nu uit te stralen, waar alleen naar gekeken kan worden in volledige rust en stilte. Zachtjes ruist de wind door en fluistert nieuwe liederen, over andere tijden en andere levens. Verhalen over wat er allemaal gebeurd is en verhalen over wat er allemaal kan gebeuren; als in een herinnering van een verre oude toekomst.
De liederen van de wind lijken licht te geven op de bomen en de takken. De bladeren vangen dit licht op en de wind lijkt te spelen met de verschillende kleurschakeringen die er nu ontstaan. Nieuwe kleuren blijven ontstaan; kleuren die voor sommigen nog geheel onbekend zijn en nog niet waar te nemen zijn met het oog van de mens zoals die nu is. De kleurschitteringen in de bladeren lijken allemaal kleine regenbogen op zich; als lichtreflecties op kristallen. Ze geven miljoenen trillingen af die als kleur waargenomen kunnen worden, maar in feite zijn ze allemaal Licht. De kleuren lijken te zingen, als bij een vroege ochtend, waar een grasveld sprookjesachtig nog gevuld is met zilveren ochtenddauw. In de lichttintelingen van de kleuren ontstaan kleine doorzichtige druppels, die lijken op de dauwdruppels van het lied van de kleuren.
En heel subtiel en transparant zijn er kleine wezentjes te onderscheiden van het licht. Zijn komen uit het Licht en door de kleurtrillingen zijn zij tot leven gekomen. Ze ontwaken als lelies in de nacht en openen als vlinders die zich ontpoppen. Ze lijken sprekend op wat wij als Mens elfjes noemen, maar zij zijn pure lichttrillingen. Dansend komen ze in beweging tussen de bladeren. Alsof het sneeuwt van magisch stof, toveren zij in het kleurenlicht lichte draden van waaruit zij naar bededen afdalen. Langs de takken en de boomstammen naar de wortels van de bomen, langs het meisje en tussen het frisse gras komen zij terecht.
Het meisje merkt een verandering op in lichtstemming en voelt dat ze vervuld wordt met licht en magie. Maar de dansende magische doorschijnende lichtwezentjes zijn heel subtiel en hun verschijning is niet zomaar met het gewone oog te zien. slechts met een grote gevoeligheid en een alertheid vanuit het hele wezen zijn zij waar te nemen. Maar het meisje weet het; ze is niet alleen en er is een magisch proces gaande om haar heen, in dit bos. De lichtwezentjes fluisteren magische klanken toe in haar oren, die als fijne ongrijpbare gevoelens haar hart binnenstromen. De intuïtie van het meisje zegt haar dat er iets spannends gaande is en dat haar nog veel meer te wachten staat. Het meisje laat het toe dat haar intuïtie nu de leiding over haar neemt. Als vanzelf komt ze dan overeind, van de wortels van de boom, want de lichtwezentjes leiden haar via onzichtbare lichtdraden mee dieper het bos in. Het bos lijkt verrukt als ze merken dat het meisje gelooft in haar vertrouwen en gevoel. Ieder takje, elk deel van het bos wil haar begeleiden, alsof zij de koningin van het bos is.
Het lijkt nu net een andere wereld, een andere ruimte, een andere sfeer en een ander tijdstip waar tijd niet meer van toepassing is. Het meisje ervaart andere kleuren en tintelingen. Ze voelt zich loskomen van de zwaarte, geheel vervuld met een lichtheid van liefde en vreugde. Ze voelt zich vrij, ongebonden en onbeperkt.
Een zilveren, lichtgevende maan heeft nu de gouden zon vervangen en schijnt haar magische licht langs alles wat er in het bos groeit. Er ontstaan lichtdraden tussen elke tak door het maanlicht, die op de snaren van een harp lijken. Maar deze snaren zijn nog veel verfijnder en dunner. En als je goed kijkt, bestaan deze snaren uit minuscule en ontelbare lichttrillingen die naast elkaar en om elkaar heen dansen.
Doordat de lichtwezentjes uit zichzelf al licht zijn, weten zij de lichttrillende snaren te bespelen. En de mooiste melodie en klanken komen voort uit het licht. Het bewustzijn van het meisje verandert langzaam door de betoverende muziek, die als Liefde door haar hele wezen heen stroomt. De klanken nemen haar mee, voeren haar op in een beweging en laten haar dansen. En het meisje danst niet alleen; van alle kanten komen er wezens die ontstaan zijn uit het Licht en de Beweging en ze voeren haar mee in het ritme van de Dans.
De wind lijkt harder te ruisen en schitteringen van het maanlicht lijken intenser te worden. Het hele bos is één en al klank, beweging en ritme geworden. Trillingen vloeien samen als alles in een trance lijkt te zijn gekomen. Trillingen vibreren samen, klanken vloeien elke trilling binnen en laten ze nóg meer schitteren en stralen. Het meisje voelt hierdoor elke cel in haar ziel en wezen openen, ze voelt dat alles in haar meetrilt en samenvloeit met de andere trillingen en klanken.
Plotseling lijkt het alsof ze onbeperkt wordt, alsof ze zelf licht geeft en de ruimte in komt; alsof zij elke cel is, elke trilling en elke klank. En ze werd de klank, de trilling en elke cel. Ze werd de muziek die werd voortgebracht door het ruisen. Ze werd het ruisen en de beweging van de bomen, de zilveren draden van de maan en de lichtwezens die de harp bespeelden. Ze werd de maan zelf en tegelijkertijd werd zij het bos en de tijdloosheid en elke ademhaling. Elk ritme van het hart kon zij voelen en opvoeren, want zij was het. Zij kon de tijd bepalen en de ruimte. Alleen al een lichte intentie gehoorzaamde haar wil.
Ze liet het bos in een ademhaling eeuwig voortleven. Een eeuwig verhaal was er gaande. Elke ademhaling leek een heel mensenleven te bevatten; was vervuld met het mooiste wonder en het mooiste verhaal. Elk verhaal dat er ooit verteld was en elke gedachte ooit gedacht bevatte die enkele ademhaling. Want dat is wat zij wilde.
Het leek enkel een ademhaling en een zucht, maar tegelijkertijd een eeuwigheid toen het meisje zichzelf weer als meisje ervoer; liggend in het gras naast een mooie grote oude boom. De boom die ze ooit met een zachte aanraking tot leven wist te brengen. De boom in het bos dat zij ooit had betreden. Het leek wel een droom, een andere Tijd en Ruimte, ver weg, als in een seconde en een flits. Maar in die seconde en in die flits lag een geheel leven besloten, die zich opborg in haar hart als een mooiste herinnering. En die verre herinnering stelde zich altijd beschikbaar om weer herinnerd te mogen worden.
En de meer het meisje terugging naar die herinnering, de meer deze ging stralen als een ster in haar hart. En deze stralende ster in haar straalde uit naar iedereen die dat kon zien en voelen. Deze ster herinnerde haar altijd, op welk moment dan ook, aan de Eeuwige Wijsheid van het Leven. De ster herinnerde haar de Liefde, het Licht en de gevoeligheid waarmee je het Leven kunt ervaren.
Het meisje werd een vrouw en vertelde haar herinnering als sprookjes door aan haar kinderen. En haar kinderen gaven weer op hun manier de herinnering door aan hun kinderen; door middel van liederen en muziek, met de mooiste schilderijen, de meest intense dans en spannendste verhalen. De herinnering werd doorverteld, zodat ieder Mens die ooit het Bos zou betreden, de magie zou kennen en het zelf zou mogen ervaren. Zo zou de Mens de eeuwigheid in kunnen stappen om één te kunnen zijn met alles wat er is.
En iedereen die dit wist, bleef geloven en herinnerd –hoe magisch, betoverend en ongeloofwaardig het voor sommigen ook mag lijken- want ze wisten dat het waar was; Ze wisten het namelijk met hun hart. Iedereen die een bos of woud betreedt, voelt stiekem ook wel haar betovering en magie. Dat zit in ieder hart verborgen. Het is dit weten wat ons de waarheid vertelt, want harten spreken alleen maar de waarheid en hebben altijd gelijk.